Oude doos

Artikelen - Algemeen - seizoen 1989-1990 - Alex Pastoor, kousjes omlaag, mouwtjes omhoog
Volendam, zaterdag 31 maart 1990
“Pang, het licht ging even uit. Heel kort maar, dat wel. Weet je wat die Egbertzen zei: stel je niet aan, joh, dr is niks aan de hand. Ik zeg: moet ik jou d’r straks buiten de poort even zo eentje geven? Weet je wat er dan gebeurt? Dan ga ik wél de cel in.”

“Ik voel me nog altijd zwaar misdeeld. Weet je waarom? Niet omdat Jan Wouters opdat moment vrijuit ging. Helemaal niet. Ik praat niemand een kaart aan. Zo ben ik niet. Dat ik geen vrije trap kreeg, dat vond ik erg. Die Egbertzen, die vond dat ik me niet moest aanstellen, dat ik simuleerde. Het vergrijp op zich, ach, dat gebeurt. Hard spel, daar heb ik geen problemen mee. Je moet incasseren. Geven en nemen, zo is de voetballerij, zo is het leven.”

“D’r is wel een ophef over gemaakt, zeg. En uiteindelijk hadden er twee schuld: Jansma en ik. Niet te geloven. Het incident ging een eigen leven leiden. Alles werd erbij gehaald. Iedereen mengde zich in de discussie. Maar aan het eind van het liedje was het zo dat het vergrijp niet meer centraal stond. Daar ging ‘t toch om? En dan de veroordeling van Studio Sport. Ze hebben niet meer dan hun journalistieke plicht gegaan. Het weergeven van feiten. Ze maakten geen sensatie, ze speelden ook niet voor rechter. Jansma zei alleen: Wouters, hoe kun je dit jezelf en je ploeg aandoen? Zo is het ook. Omdat-ie het onbegrijpelijk vond.”

“En dan de VVCS, die Meutstege. Wat is dat voor een idioot? Die stelde mij verantwoordelijk voor die elleboogstoot. Dat zei-ie bij Sport Studio. Ik kon het niet geloven. Ik was de aanstichter, omdat ik eerst een smerige tackle had ingezet. Van achteren nog wel. Je zou niet zeggen dat-ie zelf op niveau heeft gevoetbald. Ik tackelde, van de zijkant, op de bal. Maar Wouters beschermde de bal met zijn lichaam. Ik jaagde ‘m op. Toen gebeurde het. Dat is het verhaal. Die Meutstege, die ’t lef. Ik heb knipsels uit wel tien kranten over het incident. Wat me opvalt is dat al die journalisten een mening hadden. Ze namen stelling, in tegenstelling tot Jansma, die gewoon zijn taak deed en de feiten weergaf zonder spectaculair commentaar. Zonder te veroordelen. Toch was hij de kwaaie piet. Die tv-beelden, dat is het lot als bekend voetballer. Je staat in de schijnwerpers, dan moet je ook de consequenties aanvaarden. Ik heb daar als voetballer geen moeite mee. Zoiets kan je niet wegwuiven, daar kan je niet overheen stappen. Een vergrijp is een vergrijp. Het is niet zo dat Studio Sport je naait, je naait jezelf. Liesdek naait zichzelf, omdat-ie zonodig moet juichen. Niet Volendam, of Steltenpool, of Kees Jansma. Het was niet eens discutabel, het was overduidelijk. Als je je schuldig maakt aan zo’n vergrijp moet je niet klagen.”

“Zelf ben ik sans rancune. Hij heeft iets gedaan wat niet kan. Maar Wouters heeft zijn excuses aangeboden. Zand erover. Je blijft collega’s. Je eet allemaal uit dezelfde ruif. Hij iets meer dan ik, maar goed. Hij heeft ook meer kwaliteit. Maar ik verwijt ‘m niks, al was ik m’n tanden kwijt geraakt door die elleboog dan nog zou ik er niet op staan dat hij wordt gestraft. Wat word ik daar wijzer van? De pijn is ook niet minder. Ik vind ‘m niet te benijden. Wouters draagt ‘n grote verantwoordelijkheid. Hem heeft ook al genoeg blaam getroffen. Hij is al genoeg gestraft voor het feit dat-ie zichzelf in een lastig parket heeft gebracht. Daarom wilde ik bij Barend & Van Dorp ook niet aan dat spelletje meedoen, waarbij je ja of nee moet zeggen. Ze hadden daar wel begrip voor. Moet Jan Wouters zes wedstrijden schorsing krijgen? Nou, van mij niet.”

“Dat klinkt leuk hè, Alex Pastoor: vorig jaar nog hoofdklasse afdeling bij Duinranders, nu in de eredivisie. Scheelt zeven klassen, ja. Maar ik heb natuurlijk wel drie seizoenen bij AFC ‘34 gespeeld. Ik ben begonnen bij SV Schoon toen ik zeven jaar was. Daar heb ik tien jaar gezeten. In de kelder van de voetballerij, derde klas afdeling speelde het eerste, toen was ik 16 jaar. Ik speelde wel vanaf m’n twaalfde regelmatig in het Noord-Hollands team. Ik ben uiteindelijk maar overgestapt naar AFC ‘34, kwam daar in A1 terecht. Een jaar later stond ik in het eerste. Drie jaar heb ik er gespeeld, toen ben ik naar Duinranders gegaan, eerste klas afdeling. Waarom in godsnaam zul je zeggen? Ik kwam tijd tekort. Mijn vriendin en ik hadden geen vrije tijd over, ik zag mijn vrienden in Schoorl ook bijna niet meer. Die vrienden voetbalden bij Duinranders, dat was dus twee in één.”

“En dan te bedenken dat al die tijd verschillende betaalde clubs belangstelling hadden getoond. Vitesse, Telstar, maar vooral AZ. Na m’n tweede seizoen AFC ‘34 kon ik er zo heen, maar Jan Fransz, m’n trainer, raadde me aan om een jaar te wachten. Dat heb ik gedaan. Eén jaar later ging-ie zelf naar AZ, maar van een overgang kwam het niet. Terwijl ik nota bene iedere maand een gesprek had gehad. ‘t Schijnt dat Louis van Gaal me uiteindelijk niet wilde hebben, maar ‘t zijne weet ik er niet van. ‘t Werd dus Duinranders in plaats van AZ, mijn jeugdliefde. ‘t Leuke was dat ik als enige afdelingsvoetballen bleef uitkomen voor het Noord-Hollands team, waarvoor alleen voetballers uit de KNVB uitkomen. Ik was nog aanvoerder ook, en laatste man.”


© Hans Heus

Profvoetballer, sportjournalist, makelaar in assurantiën en coach van het zaalteam Paal 29. Hij is vooral de man achter de elleboog van Jan Wouters. Hij woont in Schoorl, voetbalt bij Volendam, houdt Barnevelders en houdt van zijn verloofde. Zijn roeping? Trouwen. Zijn motivatie? Nooit opgeven. Kousjes omlaag, mouwtjes omhoog

“Via AFC ‘34 waar Rob Fleur van het Parool ook speelde kwam ik in aanraking met de journalistiek. Ik schreef voor het programmablad van AFC ‘34, interviewde een medespeler en probeerde zo mensen te werven voor onze thuiswedstrijden. Ik kreeg een kans bij het Parool. Onschuldige stukjes schrijven over jeugdvoetbal en dan maar hopen dat er geen verkeerde kop boven komt te staan. De eerste keer verbeterde ik meteen een verkeerd fotobijschrift. Ik kende al die gasten uit het amateurvoetbal in Noord-Holland namelijk. Ik vond het een leuke ervaring. Ik schrijf graag. Soms is die drang om te schrijven onweerstaanbaar. Daar geef ik dan ook aan toe. Leo Steegman stimuleert dat ook. Die zegt ook: je moet de dingen die op het veld gebeuren ‘ns opschrijven. Laatst bij Haarlem-uit sta ik op het punt om een bal in een leeg doel te schieten, maar Mario van der Ende fluit voor een overtreding tegen Vermés. Wij zeuren dat-ie de voordeelregel niet toepast. Zegt van der Ende: jullie zijn bij Volendam toch gek op vrije trappen? Heel gevat natuurlijk. Als coach van Paal 29 schrijf ‘k ook stukkies in het bulletin. Van die moralistische stukjes, ‘n beetje schoolmeesterachtig. De jongens ‘n beetje op scherp zetten. Ik zou er best meer mee willen doen, met schrijven. Al is ‘t alleen al omdat ik vind dat sportjournalisten ‘n beetje op niveau moeten hebben gevoetbald voordat ze over topvoetbal mogen oordelen.”

“lk werd door Fleur ‘n keertje gevraagd voor een wedstrijdje met de sportpers tegen oud-Ajax. Tegen Sjaak Swart en Freek de Jonge. Zo gezegd zo gedaan. Nou, nou, nou, wat ben ik geschrokken van het niveau van de sportpers. D’r liep ene Jurriaan van Wessem in, van Elf. Dat hockey-gezicht alleen al. Maar goed, daar kan je ook niks aan doen. Beetje intellectueel blad met pretenties, maar zelf voetballen: ho maar. Als je ‘m zag lopen... Eigenlijk kon-ie niet lopen, laat staan rennen. Dan had-ie zo’n broek aan, net boven z’n knieën. Echt, de meesten konden nog geen bal van een kippenhok onderscheiden. En dat moet dan over ons schrijven. Nou, sorry hoor. De beste stuurlui staan aan wal. Dat is wat ik denk van journalisten. Ze denken dat ze ‘t hebben uitgevonden, voetbal. Wat kunnen jullie eigenwijs zijn zeg.”

“Maar ‘t zegt ook weer niet alles: zelf op niveau hebben gevoetbald. Ik las laatst het commentaar van Rinus Michels op Ajax-Volendam. Die veroordeelde ons voetbal, terwijl het om te beginnen toch een knap resultaat is om bij Ajax gelijk te spelen. Michels schreef dat de opstelling van de middenvelders in het begin van de wedstrijd niet veel goeds voorspelde. Als hij goed had gekeken had hij gezien dat Tol en Vermés niet in de wedstrijd zaten, ze leden veel balverlies. In het begin sluit je dan nog aan, maar als zij voortdurend balverlies lijden kun je je niet permitteren ook nog eens voor de bal te staan. Kijk, het is uit Michels’ mond natuurlijk makkelijk gezegd: die houding van de zwartbroeken voorspelde niets goeds. Hij kan met Van Basten en Gullit werken, die houden wel ‘n balletje vast. Kunst. Wij doen het met bescheiden middelen. Ik begreep die veroordeling van ons spel eerlijk gezegd niet goed.”

“lk zou de combinatie sportjournalistiek-voetbal best aandurven, alleen: ik heb een goeie baan. Ik heb ook nog geen aanbieding binnen om in de journalistiek te gaan. Als het Noord-Hollands Dagblad zegt: kom voor 20 uur bij ons werken, buiten de trainingsuren om, tja, dan wist ik ‘t wel. Hoewel, ik heb ‘n prachtbaan: ik werk als makelaar in de assurantiën. Door toeval ben ik aan die baan gekomen. Van mijn afdeling ben ik de tweede man. Ik heb goede kansen om door te groeien in het bedrijf en het zonder diploma’s ver te schoppen. Ik heb m’n atheneum indertijd niet afgemaakt namelijk. Maar voetbal is me lief, heel lief. Als je beseft dat ik 36 uur werk, daarnaast train en er nog een sociaal leven op na wil houden besef je dat ik erg krap in mijn tijd zit. Het liefst zou ik maar 20 uur per week gaan werken, maar of ik dan op termijn dezelfde promotiekansen heb is nog de vraag. Maar nu leef ik wel héél intensief. Ik sta om zes uur op, sta in de file, begin om acht uur met werken en om kwart over drie haast ik me naar Volendam. Maandag en vrijdag ben ik om zeven uur thuis, dinsdag en donderdag om half acht. Vervolgens is het eten geblazen en op tijd naar bed. Ja, zonder dollen. Mijn vriendin en ik gaan om acht uur naar bed, uiterlijk half negen. We werken hard, we hebben onze slaap nodig.”

“‘t Is een moeilijke keuze. Het liefst kies ik voor voetbal. Maar als ik straks klaar ben wil ik wél wat achter de hand hebben. Hetzij in het werk dat ik nu doe, hetzij de journalistiek. Ik geloof in mezelf. Denk wel dat ik ‘t wel red in de voetballerij. Dit jaar viel ik de eerste wedstrijd in, ik ben nog twee keer ingevallen en sindsdien sta ik er vast in. Da’s ook makkelijk want er is geen verwachtingspatroon. Sinds m’n tijd bij AFC ‘34 heb ik getwijfeld of ik zou slagen in het betaald voetbal. Ik heb van jongs af aan de thuiswedstrijden van AZ bezocht. Toen ik een jaar of 19, 20 was zat ik er nog steeds, nu met een vriend. Wij achten ons rot. Dan zeiden we dat de rechtsback van AZ op die van Duinranders leek. Heel melig. Maar diep van binnen zag ik dat ik mee kon op dit niveau. En ineens dacht ik: straks zit ik hier over twintig jaar nog en dan wil ik niet denken: goh, had ik toen maar...”

“lk sta op het standpunt: als je iets doet doe het dan goed. Ik houd niet van half werk. Ik ben heel netjes, geordend. Ik heb een hekel aan rommel. Perfectionistje, ja. Ik wil compleet zijn. Ik ben leergierig. Ik heb de Engelse mentaliteit. Bij Duinranders pikten ze dat niet. Ik was de grote man, van AFC ‘34. Ik wilde kampioen worden. Dat ging gepaard met vloeken. Dat was nog nooit gebeurd. Toen haakten er ineens twee oude mannetjes af. Gvd’s, dat kon echt niet. Die liepen zo weg bij een wedstrijd. Duinranders is katholiek. De sfeer in de club was nogal behoudend. Ik was veeleisend. Zondagmiddag, de beuk erin, op de enkels als het moest, tja, dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Eerlijk gezegd was ik te professioneel voor dat niveau. Ik ben nu meer op m’n plaats.”

“Doorzetten, die Engelse mentaliteit is zo mooi. Vroeger was ik helemaal idolaat van Kristen Nygaard. Een technisch perfecte voetballer. Ik was trots dat ik in de keet - want dure woorden als spelershome had je toen gelukkig nog niet - met hem kon zitten praten. Ik zal een jaar of tien zijn geweest, god wat keek ik tegen die man op. Nu is Bryan Robson m’n idool. Wat een voetballer. Wat een wedstrijdmentaliteit. Die Engelse inslag probeer ik me aan te kweken. Zo is ‘t leven: je moet overal voor knokken. Ik zal ‘t nooit vergeten: ik was twaalf of zo, kreeg omdat ik bij het Noord-Hollands elftal zat een boek van de jeugdvoorzitter. Dat heette: Knok ervoor. Een prachtig jongensboek. Ik heb ‘t twee jaar geleden nog eens herlezen. Ik vond het nog steeds mooi. Het gaat over een jong jongetje die als voetballer carrière maakt. Hij krijgt het niet cadeau, bovendien moet hij zijn invalide vader verzorgen. Heel cliché, maar heel mooi. En heel wijs.”


© Hans van Weel

Alex Pastoor haalt uit voor het tweede Volendamse doelpunt tijdens de thuiswedstrijd tegen Feyenoord

“Men vindt mij eigenwijs. In ieder geval is het zo dat ik merk dat oudere mensen die met mij praten altijd iets aan mij willen overbrengen. Ik zal dat wel oproepen. Misschien omdat ik heel nuchter ben, sterk kan relativeren. Dan voelt men de onweerstaanbare behoefte mij wijze lessen te geven. Ik laat ze maar. De kleine dingetjes pik ik eruit. Maar ik laat me nooit iets aanpraten. Alleen naar Leo Steegman luister ik met open mond. Dat klinkt slijmerig, om dat van je trainer te zeggen. Maar zo is ‘t niet bedoeld. Ik heb zelden iemand zo wijs horen praten. Die heeft er ‘n beetje kijk op zeg. Understatementje. Hij denkt logisch, heeft het vermogen te analyseren. Vaak is het zo dat ik datgene dat hij vertelt in mijn hoofd had, maar het niet onder woorden kon brengen.”

“Ik heb wel eens aan Steegman gevraagd of hij dossiers van ons heeft aangelegd. Hij weet zoveel van je, of beter: hij voelt ons zo goed aan. Je hebt te maken met uiteenlopende karakters, iedereen moet anders worden aangepakt. Hij beheerst dat. Hij heeft de juiste toon op het juiste moment. Voelen wat er leeft en dan op de juiste wijze mensen raken. Ik moet op m’n kloten hebben, maar heel af en toe heb ik een aai nodig. Ik barst als ‘t niet waar is, maar hij doet dat altijd op het moment dat ik dat nodig heb. Ik denk dat het mensenkennis is, levenservaring. Ze zeggen wel ‘ns: een trainer moet meer psycholoog zijn dan trainer. Hij beheerst beide. Hij ziet nu ook waar ‘t aan schort. Noem het maar positieve agressie. We laten het de laatste weken te gedwee over ons heen komen. We missen Steltenpool en Zwarthoed. Misschien moet ik ‘s morgens weer ‘ns een filmpie opzetten. Zo deed ik dat vroeger bij Duinranders. Keken we ‘s morgens effe Rambo en dan vlogen we erin. Je identificeert je met Rambo, goedkope psychologie, maar ‘t werkte wel. Meestal zet ik U2 op, voor de adrenaline. Die stijgt vanzelf.”

“Tien graden onder nul of veertig graden boven nul: ik loop altijd met de kousjes omlaag, mouwtjes omhoog. Doorgaan, knokken. Ik ben niet zo extreem als Eric Steltenpool, nee, maar je moet je grenzen durven te verleggen. Hij moet z’n energie, agressie en emoties kwijt. Dat heb ik niet. Ik schreeuw niet, praat niet honderduit. Maar: m’n werk, voetbal, m’n relatie of m’n kippen - ik geef me. Honderd procent.”

“lk heb zes kippen en een haan. Dat kippenhok, daar kan ik uren zitten. Die beesten verzorg ik optimaal. Voetbal, carrière ik wil er het hoogste uithalen. En wat mijn vriendin betreft: ik heb maar één roeping en dat is trouwen. Ik ken de geneugten van het leven, heb ze vroeger goed leren kennen. Nu zeg ik: d’r gaat niets boven trouwen en kinderen krijgen. Ze betekent alles voor me: als het nu zou uitraken zou zowel het voetbal als m’n maatschappelijke carrière minder inhoud hebben. Het is prachtig om iets te kunnen delen. Mijn vriendin staat achter wat ik doe en ik achter wat zij doet. In de voorbereiding stond ze met een stopwatch langs de kant. Zelfs op Mallorca. Bloedheet was het, erger nog. Ik lopen en zij lag op het strand met de tijd in haar hand. Ik wilde conditioneel fit zijn voor de overstap naar het betaald voetbal.”

“De mensen in Volendam zijn kritisch, net als bij AZ trouwens. Noord-Holland is Nederland in extremis. Ze juichen pas bij 3-0, ken je dat? Als je dan toch ziet wat ‘n leven die FC Den Haag-supporters maken. Ik krijg er kippenvel van. Dat is zo’n kick. Bij PSV-uit ben ik bij de tribune aan de overkant van de eretribune effe gaan rekken. Die zongen: Ro-ma-ri-o, zo mooi. In alle toonhoogten. Weer kippenvel natuurlijk. We kregen daar trouwens een fluitconcert, dat was onvoorstelbaar. Ik stond gelijk op scherp. Echt, bij de cupfinal zit ik te huilen voor de tv. Die liederen een uur voor de wedstrijd, dat is eigenlijk ‘t hoogtepunt.”

“We hebben goud in onze klauwen. Europees voetbal kan nog. We zijn alleen vermoeid. Het sprankelende is eraf. We werken natuurlijk met semiprofs. Laatst ontstond er een meningsverschil tussen Steegman en Steur. Steegman zei na de training: tot morgen jongens, 11 uur. Wat 11 uur, zegt Steur, ik sta verdomme om kwart over zeven in de steigers. Om elf uur is mijn broodtrommel leeg. Toen werd Steegman kwaad. Hij vond dat je ook niet moet koketteren met het feit dat je lange dagen maakt. Die mening ben ik ook toegedaan. Mouwen omhoog, de beuk erin voor die laatste paar wedstrijden. Europees voetbal zou goud zijn. We moeten niet zielig doen. Vergelijk jouw situatie eens met die van een willekeurig persoon elders op de wereld. In negen van de tien gevallen heeft die het wel slechter. Om die reden is het best te verdragen hoor, zes uur op, in de file staan, hard werken en laat thuis.”
Geschreven door: Hugo Borst
Bron: Voetbal International
“Pang, het licht ging even uit. Heel kort maar, dat wel. Weet je wat die Egbertzen zei: stel je niet aan, joh, dr is niks aan de hand. Ik zeg: moet ik jou d’r straks buiten de poort even zo eentje geven? Weet je wat er dan gebeurt? Dan ga ik wél de cel in.”

“Ik voel me nog altijd zwaar misdeeld. Weet je waarom? Niet omdat Jan Wouters opdat moment vrijuit ging. Helemaal niet. Ik praat niemand een kaart aan. Zo ben ik niet. Dat ik geen vrije trap kreeg, dat vond ik erg. Die Egbertzen, die vond dat ik me niet moest aanstellen, dat ik simuleerde. Het vergrijp op zich, ach, dat gebeurt. Hard spel, daar heb ik geen problemen mee. Je moet incasseren. Geven en nemen, zo is de voetballerij, zo is het leven.”

“D’r is wel een ophef over gemaakt, zeg. En uiteindelijk hadden er twee schuld: Jansma en ik. Niet te geloven. Het incident ging een eigen leven leiden. Alles werd erbij gehaald. Iedereen mengde zich in de discussie. Maar aan het eind van het liedje was het zo dat het vergrijp niet meer centraal stond. Daar ging ‘t toch om? En dan de veroordeling van Studio Sport. Ze hebben niet meer dan hun journalistieke plicht gegaan. Het weergeven van feiten. Ze maakten geen sensatie, ze speelden ook niet voor rechter. Jansma zei alleen: Wouters, hoe kun je dit jezelf en je ploeg aandoen? Zo is het ook. Omdat-ie het onbegrijpelijk vond.”

“En dan de VVCS, die Meutstege. Wat is dat voor een idioot? Die stelde mij verantwoordelijk voor die elleboogstoot. Dat zei-ie bij Sport Studio. Ik kon het niet geloven. Ik was de aanstichter, omdat ik eerst een smerige tackle had ingezet. Van achteren nog wel. Je zou niet zeggen dat-ie zelf op niveau heeft gevoetbald. Ik tackelde, van de zijkant, op de bal. Maar Wouters beschermde de bal met zijn lichaam. Ik jaagde ‘m op. Toen gebeurde het. Dat is het verhaal. Die Meutstege, die ’t lef. Ik heb knipsels uit wel tien kranten over het incident. Wat me opvalt is dat al die journalisten een mening hadden. Ze namen stelling, in tegenstelling tot Jansma, die gewoon zijn taak deed en de feiten weergaf zonder spectaculair commentaar. Zonder te veroordelen. Toch was hij de kwaaie piet. Die tv-beelden, dat is het lot als bekend voetballer. Je staat in de schijnwerpers, dan moet je ook de consequenties aanvaarden. Ik heb daar als voetballer geen moeite mee. Zoiets kan je niet wegwuiven, daar kan je niet overheen stappen. Een vergrijp is een vergrijp. Het is niet zo dat Studio Sport je naait, je naait jezelf. Liesdek naait zichzelf, omdat-ie zonodig moet juichen. Niet Volendam, of Steltenpool, of Kees Jansma. Het was niet eens discutabel, het was overduidelijk. Als je je schuldig maakt aan zo’n vergrijp moet je niet klagen.”

“Zelf ben ik sans rancune. Hij heeft iets gedaan wat niet kan. Maar Wouters heeft zijn excuses aangeboden. Zand erover. Je blijft collega’s. Je eet allemaal uit dezelfde ruif. Hij iets meer dan ik, maar goed. Hij heeft ook meer kwaliteit. Maar ik verwijt ‘m niks, al was ik m’n tanden kwijt geraakt door die elleboog dan nog zou ik er niet op staan dat hij wordt gestraft. Wat word ik daar wijzer van? De pijn is ook niet minder. Ik vind ‘m niet te benijden. Wouters draagt ‘n grote verantwoordelijkheid. Hem heeft ook al genoeg blaam getroffen. Hij is al genoeg gestraft voor het feit dat-ie zichzelf in een lastig parket heeft gebracht. Daarom wilde ik bij Barend & Van Dorp ook niet aan dat spelletje meedoen, waarbij je ja of nee moet zeggen. Ze hadden daar wel begrip voor. Moet Jan Wouters zes wedstrijden schorsing krijgen? Nou, van mij niet.”

“Dat klinkt leuk hè, Alex Pastoor: vorig jaar nog hoofdklasse afdeling bij Duinranders, nu in de eredivisie. Scheelt zeven klassen, ja. Maar ik heb natuurlijk wel drie seizoenen bij AFC ‘34 gespeeld. Ik ben begonnen bij SV Schoon toen ik zeven jaar was. Daar heb ik tien jaar gezeten. In de kelder van de voetballerij, derde klas afdeling speelde het eerste, toen was ik 16 jaar. Ik speelde wel vanaf m’n twaalfde regelmatig in het Noord-Hollands team. Ik ben uiteindelijk maar overgestapt naar AFC ‘34, kwam daar in A1 terecht. Een jaar later stond ik in het eerste. Drie jaar heb ik er gespeeld, toen ben ik naar Duinranders gegaan, eerste klas afdeling. Waarom in godsnaam zul je zeggen? Ik kwam tijd tekort. Mijn vriendin en ik hadden geen vrije tijd over, ik zag mijn vrienden in Schoorl ook bijna niet meer. Die vrienden voetbalden bij Duinranders, dat was dus twee in één.”

“En dan te bedenken dat al die tijd verschillende betaalde clubs belangstelling hadden getoond. Vitesse, Telstar, maar vooral AZ. Na m’n tweede seizoen AFC ‘34 kon ik er zo heen, maar Jan Fransz, m’n trainer, raadde me aan om een jaar te wachten. Dat heb ik gedaan. Eén jaar later ging-ie zelf naar AZ, maar van een overgang kwam het niet. Terwijl ik nota bene iedere maand een gesprek had gehad. ‘t Schijnt dat Louis van Gaal me uiteindelijk niet wilde hebben, maar ‘t zijne weet ik er niet van. ‘t Werd dus Duinranders in plaats van AZ, mijn jeugdliefde. ‘t Leuke was dat ik als enige afdelingsvoetballen bleef uitkomen voor het Noord-Hollands team, waarvoor alleen voetballers uit de KNVB uitkomen. Ik was nog aanvoerder ook, en laatste man.”


© Hans Heus

Profvoetballer, sportjournalist, makelaar in assurantiën en coach van het zaalteam Paal 29. Hij is vooral de man achter de elleboog van Jan Wouters. Hij woont in Schoorl, voetbalt bij Volendam, houdt Barnevelders en houdt van zijn verloofde. Zijn roeping? Trouwen. Zijn motivatie? Nooit opgeven. Kousjes omlaag, mouwtjes omhoog

“Via AFC ‘34 waar Rob Fleur van het Parool ook speelde kwam ik in aanraking met de journalistiek. Ik schreef voor het programmablad van AFC ‘34, interviewde een medespeler en probeerde zo mensen te werven voor onze thuiswedstrijden. Ik kreeg een kans bij het Parool. Onschuldige stukjes schrijven over jeugdvoetbal en dan maar hopen dat er geen verkeerde kop boven komt te staan. De eerste keer verbeterde ik meteen een verkeerd fotobijschrift. Ik kende al die gasten uit het amateurvoetbal in Noord-Holland namelijk. Ik vond het een leuke ervaring. Ik schrijf graag. Soms is die drang om te schrijven onweerstaanbaar. Daar geef ik dan ook aan toe. Leo Steegman stimuleert dat ook. Die zegt ook: je moet de dingen die op het veld gebeuren ‘ns opschrijven. Laatst bij Haarlem-uit sta ik op het punt om een bal in een leeg doel te schieten, maar Mario van der Ende fluit voor een overtreding tegen Vermés. Wij zeuren dat-ie de voordeelregel niet toepast. Zegt van der Ende: jullie zijn bij Volendam toch gek op vrije trappen? Heel gevat natuurlijk. Als coach van Paal 29 schrijf ‘k ook stukkies in het bulletin. Van die moralistische stukjes, ‘n beetje schoolmeesterachtig. De jongens ‘n beetje op scherp zetten. Ik zou er best meer mee willen doen, met schrijven. Al is ‘t alleen al omdat ik vind dat sportjournalisten ‘n beetje op niveau moeten hebben gevoetbald voordat ze over topvoetbal mogen oordelen.”

“lk werd door Fleur ‘n keertje gevraagd voor een wedstrijdje met de sportpers tegen oud-Ajax. Tegen Sjaak Swart en Freek de Jonge. Zo gezegd zo gedaan. Nou, nou, nou, wat ben ik geschrokken van het niveau van de sportpers. D’r liep ene Jurriaan van Wessem in, van Elf. Dat hockey-gezicht alleen al. Maar goed, daar kan je ook niks aan doen. Beetje intellectueel blad met pretenties, maar zelf voetballen: ho maar. Als je ‘m zag lopen... Eigenlijk kon-ie niet lopen, laat staan rennen. Dan had-ie zo’n broek aan, net boven z’n knieën. Echt, de meesten konden nog geen bal van een kippenhok onderscheiden. En dat moet dan over ons schrijven. Nou, sorry hoor. De beste stuurlui staan aan wal. Dat is wat ik denk van journalisten. Ze denken dat ze ‘t hebben uitgevonden, voetbal. Wat kunnen jullie eigenwijs zijn zeg.”

“Maar ‘t zegt ook weer niet alles: zelf op niveau hebben gevoetbald. Ik las laatst het commentaar van Rinus Michels op Ajax-Volendam. Die veroordeelde ons voetbal, terwijl het om te beginnen toch een knap resultaat is om bij Ajax gelijk te spelen. Michels schreef dat de opstelling van de middenvelders in het begin van de wedstrijd niet veel goeds voorspelde. Als hij goed had gekeken had hij gezien dat Tol en Vermés niet in de wedstrijd zaten, ze leden veel balverlies. In het begin sluit je dan nog aan, maar als zij voortdurend balverlies lijden kun je je niet permitteren ook nog eens voor de bal te staan. Kijk, het is uit Michels’ mond natuurlijk makkelijk gezegd: die houding van de zwartbroeken voorspelde niets goeds. Hij kan met Van Basten en Gullit werken, die houden wel ‘n balletje vast. Kunst. Wij doen het met bescheiden middelen. Ik begreep die veroordeling van ons spel eerlijk gezegd niet goed.”

“lk zou de combinatie sportjournalistiek-voetbal best aandurven, alleen: ik heb een goeie baan. Ik heb ook nog geen aanbieding binnen om in de journalistiek te gaan. Als het Noord-Hollands Dagblad zegt: kom voor 20 uur bij ons werken, buiten de trainingsuren om, tja, dan wist ik ‘t wel. Hoewel, ik heb ‘n prachtbaan: ik werk als makelaar in de assurantiën. Door toeval ben ik aan die baan gekomen. Van mijn afdeling ben ik de tweede man. Ik heb goede kansen om door te groeien in het bedrijf en het zonder diploma’s ver te schoppen. Ik heb m’n atheneum indertijd niet afgemaakt namelijk. Maar voetbal is me lief, heel lief. Als je beseft dat ik 36 uur werk, daarnaast train en er nog een sociaal leven op na wil houden besef je dat ik erg krap in mijn tijd zit. Het liefst zou ik maar 20 uur per week gaan werken, maar of ik dan op termijn dezelfde promotiekansen heb is nog de vraag. Maar nu leef ik wel héél intensief. Ik sta om zes uur op, sta in de file, begin om acht uur met werken en om kwart over drie haast ik me naar Volendam. Maandag en vrijdag ben ik om zeven uur thuis, dinsdag en donderdag om half acht. Vervolgens is het eten geblazen en op tijd naar bed. Ja, zonder dollen. Mijn vriendin en ik gaan om acht uur naar bed, uiterlijk half negen. We werken hard, we hebben onze slaap nodig.”

“‘t Is een moeilijke keuze. Het liefst kies ik voor voetbal. Maar als ik straks klaar ben wil ik wél wat achter de hand hebben. Hetzij in het werk dat ik nu doe, hetzij de journalistiek. Ik geloof in mezelf. Denk wel dat ik ‘t wel red in de voetballerij. Dit jaar viel ik de eerste wedstrijd in, ik ben nog twee keer ingevallen en sindsdien sta ik er vast in. Da’s ook makkelijk want er is geen verwachtingspatroon. Sinds m’n tijd bij AFC ‘34 heb ik getwijfeld of ik zou slagen in het betaald voetbal. Ik heb van jongs af aan de thuiswedstrijden van AZ bezocht. Toen ik een jaar of 19, 20 was zat ik er nog steeds, nu met een vriend. Wij achten ons rot. Dan zeiden we dat de rechtsback van AZ op die van Duinranders leek. Heel melig. Maar diep van binnen zag ik dat ik mee kon op dit niveau. En ineens dacht ik: straks zit ik hier over twintig jaar nog en dan wil ik niet denken: goh, had ik toen maar...”

“lk sta op het standpunt: als je iets doet doe het dan goed. Ik houd niet van half werk. Ik ben heel netjes, geordend. Ik heb een hekel aan rommel. Perfectionistje, ja. Ik wil compleet zijn. Ik ben leergierig. Ik heb de Engelse mentaliteit. Bij Duinranders pikten ze dat niet. Ik was de grote man, van AFC ‘34. Ik wilde kampioen worden. Dat ging gepaard met vloeken. Dat was nog nooit gebeurd. Toen haakten er ineens twee oude mannetjes af. Gvd’s, dat kon echt niet. Die liepen zo weg bij een wedstrijd. Duinranders is katholiek. De sfeer in de club was nogal behoudend. Ik was veeleisend. Zondagmiddag, de beuk erin, op de enkels als het moest, tja, dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Eerlijk gezegd was ik te professioneel voor dat niveau. Ik ben nu meer op m’n plaats.”

“Doorzetten, die Engelse mentaliteit is zo mooi. Vroeger was ik helemaal idolaat van Kristen Nygaard. Een technisch perfecte voetballer. Ik was trots dat ik in de keet - want dure woorden als spelershome had je toen gelukkig nog niet - met hem kon zitten praten. Ik zal een jaar of tien zijn geweest, god wat keek ik tegen die man op. Nu is Bryan Robson m’n idool. Wat een voetballer. Wat een wedstrijdmentaliteit. Die Engelse inslag probeer ik me aan te kweken. Zo is ‘t leven: je moet overal voor knokken. Ik zal ‘t nooit vergeten: ik was twaalf of zo, kreeg omdat ik bij het Noord-Hollands elftal zat een boek van de jeugdvoorzitter. Dat heette: Knok ervoor. Een prachtig jongensboek. Ik heb ‘t twee jaar geleden nog eens herlezen. Ik vond het nog steeds mooi. Het gaat over een jong jongetje die als voetballer carrière maakt. Hij krijgt het niet cadeau, bovendien moet hij zijn invalide vader verzorgen. Heel cliché, maar heel mooi. En heel wijs.”


© Hans van Weel

Alex Pastoor haalt uit voor het tweede Volendamse doelpunt tijdens de thuiswedstrijd tegen Feyenoord

“Men vindt mij eigenwijs. In ieder geval is het zo dat ik merk dat oudere mensen die met mij praten altijd iets aan mij willen overbrengen. Ik zal dat wel oproepen. Misschien omdat ik heel nuchter ben, sterk kan relativeren. Dan voelt men de onweerstaanbare behoefte mij wijze lessen te geven. Ik laat ze maar. De kleine dingetjes pik ik eruit. Maar ik laat me nooit iets aanpraten. Alleen naar Leo Steegman luister ik met open mond. Dat klinkt slijmerig, om dat van je trainer te zeggen. Maar zo is ‘t niet bedoeld. Ik heb zelden iemand zo wijs horen praten. Die heeft er ‘n beetje kijk op zeg. Understatementje. Hij denkt logisch, heeft het vermogen te analyseren. Vaak is het zo dat ik datgene dat hij vertelt in mijn hoofd had, maar het niet onder woorden kon brengen.”

“Ik heb wel eens aan Steegman gevraagd of hij dossiers van ons heeft aangelegd. Hij weet zoveel van je, of beter: hij voelt ons zo goed aan. Je hebt te maken met uiteenlopende karakters, iedereen moet anders worden aangepakt. Hij beheerst dat. Hij heeft de juiste toon op het juiste moment. Voelen wat er leeft en dan op de juiste wijze mensen raken. Ik moet op m’n kloten hebben, maar heel af en toe heb ik een aai nodig. Ik barst als ‘t niet waar is, maar hij doet dat altijd op het moment dat ik dat nodig heb. Ik denk dat het mensenkennis is, levenservaring. Ze zeggen wel ‘ns: een trainer moet meer psycholoog zijn dan trainer. Hij beheerst beide. Hij ziet nu ook waar ‘t aan schort. Noem het maar positieve agressie. We laten het de laatste weken te gedwee over ons heen komen. We missen Steltenpool en Zwarthoed. Misschien moet ik ‘s morgens weer ‘ns een filmpie opzetten. Zo deed ik dat vroeger bij Duinranders. Keken we ‘s morgens effe Rambo en dan vlogen we erin. Je identificeert je met Rambo, goedkope psychologie, maar ‘t werkte wel. Meestal zet ik U2 op, voor de adrenaline. Die stijgt vanzelf.”

“Tien graden onder nul of veertig graden boven nul: ik loop altijd met de kousjes omlaag, mouwtjes omhoog. Doorgaan, knokken. Ik ben niet zo extreem als Eric Steltenpool, nee, maar je moet je grenzen durven te verleggen. Hij moet z’n energie, agressie en emoties kwijt. Dat heb ik niet. Ik schreeuw niet, praat niet honderduit. Maar: m’n werk, voetbal, m’n relatie of m’n kippen - ik geef me. Honderd procent.”

“lk heb zes kippen en een haan. Dat kippenhok, daar kan ik uren zitten. Die beesten verzorg ik optimaal. Voetbal, carrière ik wil er het hoogste uithalen. En wat mijn vriendin betreft: ik heb maar één roeping en dat is trouwen. Ik ken de geneugten van het leven, heb ze vroeger goed leren kennen. Nu zeg ik: d’r gaat niets boven trouwen en kinderen krijgen. Ze betekent alles voor me: als het nu zou uitraken zou zowel het voetbal als m’n maatschappelijke carrière minder inhoud hebben. Het is prachtig om iets te kunnen delen. Mijn vriendin staat achter wat ik doe en ik achter wat zij doet. In de voorbereiding stond ze met een stopwatch langs de kant. Zelfs op Mallorca. Bloedheet was het, erger nog. Ik lopen en zij lag op het strand met de tijd in haar hand. Ik wilde conditioneel fit zijn voor de overstap naar het betaald voetbal.”

“De mensen in Volendam zijn kritisch, net als bij AZ trouwens. Noord-Holland is Nederland in extremis. Ze juichen pas bij 3-0, ken je dat? Als je dan toch ziet wat ‘n leven die FC Den Haag-supporters maken. Ik krijg er kippenvel van. Dat is zo’n kick. Bij PSV-uit ben ik bij de tribune aan de overkant van de eretribune effe gaan rekken. Die zongen: Ro-ma-ri-o, zo mooi. In alle toonhoogten. Weer kippenvel natuurlijk. We kregen daar trouwens een fluitconcert, dat was onvoorstelbaar. Ik stond gelijk op scherp. Echt, bij de cupfinal zit ik te huilen voor de tv. Die liederen een uur voor de wedstrijd, dat is eigenlijk ‘t hoogtepunt.”

“We hebben goud in onze klauwen. Europees voetbal kan nog. We zijn alleen vermoeid. Het sprankelende is eraf. We werken natuurlijk met semiprofs. Laatst ontstond er een meningsverschil tussen Steegman en Steur. Steegman zei na de training: tot morgen jongens, 11 uur. Wat 11 uur, zegt Steur, ik sta verdomme om kwart over zeven in de steigers. Om elf uur is mijn broodtrommel leeg. Toen werd Steegman kwaad. Hij vond dat je ook niet moet koketteren met het feit dat je lange dagen maakt. Die mening ben ik ook toegedaan. Mouwen omhoog, de beuk erin voor die laatste paar wedstrijden. Europees voetbal zou goud zijn. We moeten niet zielig doen. Vergelijk jouw situatie eens met die van een willekeurig persoon elders op de wereld. In negen van de tien gevallen heeft die het wel slechter. Om die reden is het best te verdragen hoor, zes uur op, in de file staan, hard werken en laat thuis.”

Terug