Oude doos

Artikelen - Algemeen - seizoen 1987-1988 - Jan Mulder, het voorbeeld van Volendam
Volendam,
Jan Mulder (25) groeide op hij Feyenoord. Samen met Mario Been en Frenk Schinkels vormde hij ‘n onafscheidelijk en ondeugend trio. De technische staf vond de linksback te licht, derhalve vertrok Mulder als 19-jarige naar Telstar waar hij tot een volwaardige eerste divisievoetballer uitgroeide. Na nog een jaar hij de club uit Velsen te hebben gespeeld, vertrok-ie naar SVV. Meestal ontsteeg Mulder het wisselvallige voetbal op en buiten Harga, maar het duurde toch nog drie jaar eer hij sportieve promotie maakte. Jan Brouwer is ‘t die Mulder op juiste waarde heeft geschat, Jan Mulder, die verdedigend z’n mannetje staat en zich ook in aanvallende zin blijft ontplooien, groeit bij het spielerische Volendam wekelijks uit tot de beste man van het veld. En verdient alsnog het stempel: eredivisiewaardig. Ruim baan voor Jan, eerlijk, openhartig, enthousiast, zachtaardig en ijverig, Mulder. ‘n Terriër, van wie men te lang vergat dat-ie heel goed kan voetballen.

“We waren altijd met z’n drieën: Frenkie, Mario en ik. In de stad, op Varkenoord of op een ander voetbalveld, we deden alles samen. Dag en nacht. ‘n Schitterende tijd. Ik heb van m’n achtste tot m’n negentiende bij Feyenoord gespeeld. Vanaf m’n vijftiende in het C-team. Maar ik brak niet door. Stanley Brard deed ‘t goed op mijn plaats. Ik ben nog met de A-selectie meegereisd naar Japan, maar toen ik terugkwam bleek dat ik niet meer in aanmerking kwam voor ‘n contract. Ze wilden me graag houden, maar alleen op amateurbasis. Joop Brand zat bij Telstar en wilde me graag hebben. Frenk was al eerder vertrokken. Naar Zweden, met Jan Mak mee. Mario had wel goeie vooruitzichten bij Feyenoord.”

“Ik heb Joop Brand nog getipt. Ik zei: ik heb nou een voetballertje voor je, niet te geloven. Frenkie was net terug uit Zweden. Brand hield ‘t stil en haalde Frenk een paar maanden later keurig naar AZ. Kwam mij ook goed uit, want het op en neer reizen van Rotterdam naar Velsen begon me flink tegen te staan. Frenk had ‘n eigen huisje in Alkmaar, dan bleef ik bij Frenk slapen. De volgende ochtend moest ik wel heel vroeg op. In het donker waste ik me in de wasbak. Dat ding stonk verschrikkelijk. Op ‘n keer zei ik: Frenk, hoe kan ‘t nou dat dat ding zo stinkt? Bleek dat-ie er iedere nacht in zeek. Was te lui om de wc beneden te nemen. Toen zei-ie: je moet toch vroeg op, Jan, was jij je nou lekker in de keuken. De eerstvolgende keer had-ie keurig een schoon washandje neergelegd en een schone handdoek.”

“ ‘n Keer ging ik ‘s ochtends vroeg de deur uit bij Frenk, moest helemaal door de sneeuw en toen ik aan ‘t eind van de straat was hoor ik roepen: Jan, Jan, kom ‘ns. Ik dacht dat er heel wat aan de hand was. Ik dus helemaal terug, zegt Frenkie grijnzend: ben je niks vergeten, Jan? Hier, je pakkie brood. Dag, ik ga weer lekker slapen. En dicht ging ‘t raam. Happy was ik niet meer bij Telstar. Mario trainde elke dag twee keer, net als Frenk. Ik dacht: waarom is dat nou niet aan mij besteed? Ik wilde zo graag. Maar ik legde me erbij neer dat ik gewoon tekort kwam. Dat tweede jaar Telstar ging heel slecht. Ik trok op met vrienden die aan krachttraining deden en dat vond ik op een gegeven moment veel belangrijker dan voetbal. Ik leefde er niet voor en presteerde beneden m’n kunnen. Ik heb zelf Dick Buitelaar opgebeld, die trainer zou worden van SVV.”

“Bij SVV heb ik drie fijne jaren meegemaakt. Sportief was ‘t niet altijd even bevredigend, maar natrappen zal ik nooit doen. Ik heb veel bewondering gekregen voor Dick Buitelaar. Hij zei: ik laat deze groep nooit in de steek. En inderdaad, hij heeft geen training overgeslagen. Terwijl hij soms over de grond kroop van de pijn in z’n rug. Een vreselijk eerlijke man, iemand met persoonlijkheid, alleen al vanwege die eerlijkheid. Dat vind ik heel belangrijk. Buitelaar was te aardig voor SVV. D’r liep wat tuig rond. We hebben veel gelachen, maar ‘t ging wel ten koste van de prestaties. Als Buitelaar er even niet was, zaten ze voor de wedstrijd wijdbeens te poepen, met de wc-deur open. De ander at een tros bananen en vond gek dat-ie buikpijn kreeg onder de wedstrijd en gewisseld moest worden.”

“Tja, zo’n Treling nam ‘t niet zo nauw, sloeg gerust twee trainingen over en deed ‘t altijd rustig aan. Was te zwaar natuurlijk, kon veel beter, maar geloofde ‘t wel. Hij speelt nu bij Wippolder, een vierdeklasser en heeft ‘t daar prima naar z’n zin. Hij belde laatst nog. Deed alsof-ie een Volendam-supporter was en vroeg of ik ‘n foto kon langs brengen. Ik trapte er mooi in. Met hem en Marcel van Buuren heb ik nog steeds contact. Toen Van Buuren halverwege vorig seizoen wegging, zakte de ploeg helemaal in elkaar. Hij belde me op toen-ie pas bij Veendam zat. Wat ik nou meemaak, zei-ie, ongelofelijk. ‘n Leuk wijffie heeft die Nienhuis en kijken dat ze naar me doet. Die heeft-ie nu nog steeds. Hij is veel wijzer geworden van Veendam. Ik werd ‘r moe van. Eerst zeiden ze: goh, die Van Velzen en Mulder doen ‘t zo leuk bij SVV. Ik bereidde er wel dertien voor voor Peter. Van Velzen vertrok, maar ik kwam niet weg. Ook Van Buuren had niet te klagen wat m’n voorzetten betreft. Hij vertrok, ik niet. Ik vreesde ‘t ergste. Gelukkig ben ik toch in de eredivisie terecht gekomen.”

“Ik heb veel, zo niet alles, te danken aan Hans van Heelsbergen. Hij is shirtsponsor bij SVV geweest, in zijn bedrijf heb ik ook gewerkt, eerst in het magazijn, later als vrachtwagenchauffeur. Hij heeft me indertijd van Telstar gekocht en er voor gezorgd dat ik transfervrij ben. Overigens was ‘t wel zwaar, die combinatie werk-voetballen. Om tien voor zes stond ik op, om half zeven reed ik over de Brienenoordbrug en om negen uur ‘s avonds stapte ik met m’n voetbaltas pas weer binnen. Er zijn momenten geweest dat ik op instorten stond, zo moe was ik. Daarom ben ik zo blij dat ik nu fullprof ben. Er zijn momenten dat ik er niet meer in geloofde ooit hogerop te komen. M’n brandstof was op. Van Heelsbergen zei dan: Jan, jouw tijd komt heus. Hij heeft gelijk gehad. Nu hoef ik maar met één ding bezig te zijn, dat is voetballen. Dinsdags en donderdags ga ik meestal bij de ochtendtraining van Feyenoord kijken. Om een uur of elf rijd ik dan door naar Volendam. Lekker met die oude mannetjes kletsen, of een balletje tegen de muur schieten. Ik ben nog net ‘n kind, wat dat betreft. Om drie uur staan we op het trainingsveld. Lekker vrije trappen nemen. Om vijf uur begint de groepstraining.”

“Jan Brouwer belde me op en vroeg of ik interesse had. We maakten een afspraak in een motel in Gonnchem, waar ik Van Heelsbergen mee naar toe nam. Na de promotie van Volendam zou alles definitief worden rond gemaakt. Van Heelsbergen belde me op: Jan, we hebben ‘n afspraak in Hilton Amsterdam. Wát, zei ik, kan dat niet ergens anders, daar ben ik nog nooit geweest. Ik m’n pak aan, stropdas. Ik had ‘t niet meer. Verder dan Wimpy en McDonald was ik nooit geweest. Daar stond Van Heelsbergen met z’n grote wagen. In de wagen keken we elkaar aan en barstten allebei in lachen uit. Daar zat ik dan: spelertje van SVV, Van Heelsbergen wist precies wat ik dacht. Doe maar rustig aan Jan, alles komt in orde. Jan Brouwer was er met z’n vrouw, de voorzitter. ‘n Sjieke bedoening, zeg. Ik wist me echt geen houding te geven.”


© Focko van Dantzig

"We scoren niet, 't is om gek van te worden"

“Ik ga er vanuit dat we rondkomen, zei Van Heelsbergen gelijk. Laten we daarom maar beginnen met champagne. Ik lust die troep helemaal niet, maar dat wilde ik nou niet hardop zeggen. Dus ik drink dat glas in één teug leeg. Maar voor ik ‘t wist was m’n glas voor de tweede keer vol. Die dronk ik ook maar leeg. Ik kreeg ‘t steeds heter. Die stropdas knelde en de vrouw van Jan Brouwer naast wie ik zat werd steeds knapper. Ik begreep nu pas dat ‘t die champagne was waar ik helemaal niet tegen kon. Ik vond dat ik me niet nog ‘ns moest aanpassen. Zij bestelden vis, maar dat lust ik helemaal niet, dus ik zeg: geeft u mij maar een biefstuk met gebakken aardappels. Iedereen lachen natuurlijk. Op eens stond alleen voor mijn neus nog maar een servet. Ik dacht: hoe kan dat nou? Zonet had iedereen er nog één. Komt natuurlijk omdat ik alleen biefstuk neem, had ik als verklaring. Tot ik dat servet uitgerold op de schoot bij mevrouw Brouwer zie liggen, Dat heb ik toen ook maar gauw gedaan. Ik maakte ‘n hele stuntelige indruk. Toen ik m’n avonturen later thuis vertelde, zei iedereen: Jan, Jan, wat ben je toch ‘n klootzak. Tja, ik ben dat niet gewend. Die Van Heelsbergen is echt ‘n fantastische vent. Die man is ondanks al z’n geld gewoon gebleven. Klasse. Dat gebeurt niet vaak.”

“Bij Volendam zijn ze blij met me. Ik ben transfervrij en ik heb nog een sponsor meegenomen ook. Voordat ik hier speelde, hoorde ik verhalen dat je hier moeilijk geaccepteerd wordt. Nou, ik heb er niks van gemerkt. Ik ben goed opgevangen en ik ontmoet alleen maar fijne mensen. Natuurlijk speelt mee dat ik niet slecht speel. Ongelofelijk jongen, wat ‘n voetbal er in deze ploeg zit. ‘t Verhaal is wel bekend, hè? Alles wordt hier voetballend opgelost. Via combinaties, op techniek, maar er wordt weleens vergeten dat de mouwen opgestroopt moeten worden. Maar we hebben ook zoveel pech gehad. De eerste wedstrijd spelen we Haarlem van de mat. Sparta-uit ook. Paal, lat, paal, maar winnen ho maar. We scoren niet, ‘t is om gek van te worden. Dan vraag je om tegengoals. Maar dat kan niet blijven duren. Eens dwingen ook wij het geluk af. We moeten d’r in blijven. Wat zeg ik: ik weet ‘t zeker. Zo’n ploeg mag er toch niet uit?”

“Zo’n Wimpie Jonk moet je krediet geven; ‘t is pas z’n eerste jaar in de eredivisie. Ik zeg je: die doet dingen die ik Van Basten alleen nog heb zien doen. En weet je wat ‘n prof is: Nico Zwarthoed. Tjonge, wat leeft die ervoor, Type Eric Gerets, alleen Gerets loopt met z’n borst vooruit, Nico is te bescheiden. Ik trek ‘t meest op met Randy Samuel en Ed Vijent. Meestal is Jan Klouwer er ook bij. Na de wedstrijd moeten we er effe uit. De Dijk op. Je moet je toch laten zien. Ook na een verloren partij. Je moet ook weer uitkijken dat je je er niet te vaak laat zien, want dan gaat ’t ook niet goed met je. Ik moet nu alleen zorgen dat ik constant blijf presteren. Ik ken de mensen nog precies die achter m’n rug om zeiden: die Jantje Mulder redt ‘t nooit. Bij Volendam ook niet. Nu zeggen ze: ‘t gaat lekker hè, Jan. Dan ben ik dus het type dat ogenblikkelijk z’n klauw terugtrekt.”

“Ik geniet met volle teugen. Het tempo van het voetbal in de eredivisie staat me ook veel meer aan. Schitterend man, om thuis voor 4000, 5000 mensen te spelen. En bij PSV voor 20.000 man. Schitterend om tegen Lerby te spelen. Ik wilde ‘m een hand geven en holde na afloop die gang in. Náást de rode loper, maar toen ik vlak bij ‘m was gleed ik onderuit. Wat doe je nou, joh, riep Lerby, en hielp me overeind. Weet ik veel dat je op die loper moet lopen, zei ik. Ik speel hier pas voor de eerste keer. Wat heeft die Vanenburg ‘n techniek zeg. Eén keer moest ik ‘m laten gaan, ik heb ‘m toen vastgehouden. Vanenburg is ‘n te mooie voetballer om te schoppen, die trek je aan z’n shirt. Ik schop trouwens niemand. Bij Marco Bogers ging ik er flink in, die kon er gelijk uit. Eerst liep-ie op links irritant te doen. Hij verhuisde naar rechts - en begon opnieuw te zuigen. Die krijgt dan wel een joekel, maar wel in het duel en met de bal erbij. Heel negatief wat-ie laatst over Ruud Heus in VI zei. Waarom maken collega’s elkaar in interviews af, waarom niet wat meer respect voor elkaar? Bogers kan goed voetballen, laat-ie z’n kwaliteiten dan ook uitbuiten en verder normaal doen.”

“Met Schinkels heb ik om de twee weken contact. Laatst belde Frenkie op. Met de kerst moeten we weer ‘n beetje gek gaan doen, zei-ie, net als vroeger. Hij had al een plan gemaakt. Hij zegt: jij, Mario en ik verkleden ons als Kerstman en we worden in Le Bateau lekker lazerus. Effe lekker doorzakken aan de bar, niemand kent ons. Weet je wat-ie verder zei? Jan, ik mis je. Ik zeg: dan gaat ‘t niet goed met je, Frenk. Als we goed willen presteren dan is ‘t het beste als we elkaar niet zien. Mario in Barendrecht, jij in Oostenrijk en ik in Spijkenisse. Ik doe geen domme dingen meer. Als er wat te lachen valt, sta ik vooraan. Maar ‘t gaat niet meer ten koste van m’n prestaties. Voor je ‘t weet ben ik semiprof en zit ik weer op de vrachtwagen. Ik was laatst sinds lange tijd in Rotterdam uit. Weet je wat ze zeiden? Ben je ziek geweest, Jan. We hebben je al zo lang niet gezien. Da’s voor mij een teken dat ‘t goed met me gaat. Ik geniet van m’n fullprof bestaan. Daarom word ik ziek van die zeikverhalen in de trant van: die trainer kan me goed motiveren. Dan ben je geen prof. Je traint en voetbalt voor je zelf en voor je team. En dan die opmerkingen: ik moet in ‘t Olympisch elftal en in ‘t Nederlands elftal. Als je er niet in staat zal er wel wat aan je mankeren. Zorg maar dat je eerst presteert.
Geschreven door: Hugo Borst
Bron: Voetbal International
Jan Mulder (25) groeide op hij Feyenoord. Samen met Mario Been en Frenk Schinkels vormde hij ‘n onafscheidelijk en ondeugend trio. De technische staf vond de linksback te licht, derhalve vertrok Mulder als 19-jarige naar Telstar waar hij tot een volwaardige eerste divisievoetballer uitgroeide. Na nog een jaar hij de club uit Velsen te hebben gespeeld, vertrok-ie naar SVV. Meestal ontsteeg Mulder het wisselvallige voetbal op en buiten Harga, maar het duurde toch nog drie jaar eer hij sportieve promotie maakte. Jan Brouwer is ‘t die Mulder op juiste waarde heeft geschat, Jan Mulder, die verdedigend z’n mannetje staat en zich ook in aanvallende zin blijft ontplooien, groeit bij het spielerische Volendam wekelijks uit tot de beste man van het veld. En verdient alsnog het stempel: eredivisiewaardig. Ruim baan voor Jan, eerlijk, openhartig, enthousiast, zachtaardig en ijverig, Mulder. ‘n Terriër, van wie men te lang vergat dat-ie heel goed kan voetballen.

“We waren altijd met z’n drieën: Frenkie, Mario en ik. In de stad, op Varkenoord of op een ander voetbalveld, we deden alles samen. Dag en nacht. ‘n Schitterende tijd. Ik heb van m’n achtste tot m’n negentiende bij Feyenoord gespeeld. Vanaf m’n vijftiende in het C-team. Maar ik brak niet door. Stanley Brard deed ‘t goed op mijn plaats. Ik ben nog met de A-selectie meegereisd naar Japan, maar toen ik terugkwam bleek dat ik niet meer in aanmerking kwam voor ‘n contract. Ze wilden me graag houden, maar alleen op amateurbasis. Joop Brand zat bij Telstar en wilde me graag hebben. Frenk was al eerder vertrokken. Naar Zweden, met Jan Mak mee. Mario had wel goeie vooruitzichten bij Feyenoord.”

“Ik heb Joop Brand nog getipt. Ik zei: ik heb nou een voetballertje voor je, niet te geloven. Frenkie was net terug uit Zweden. Brand hield ‘t stil en haalde Frenk een paar maanden later keurig naar AZ. Kwam mij ook goed uit, want het op en neer reizen van Rotterdam naar Velsen begon me flink tegen te staan. Frenk had ‘n eigen huisje in Alkmaar, dan bleef ik bij Frenk slapen. De volgende ochtend moest ik wel heel vroeg op. In het donker waste ik me in de wasbak. Dat ding stonk verschrikkelijk. Op ‘n keer zei ik: Frenk, hoe kan ‘t nou dat dat ding zo stinkt? Bleek dat-ie er iedere nacht in zeek. Was te lui om de wc beneden te nemen. Toen zei-ie: je moet toch vroeg op, Jan, was jij je nou lekker in de keuken. De eerstvolgende keer had-ie keurig een schoon washandje neergelegd en een schone handdoek.”

“ ‘n Keer ging ik ‘s ochtends vroeg de deur uit bij Frenk, moest helemaal door de sneeuw en toen ik aan ‘t eind van de straat was hoor ik roepen: Jan, Jan, kom ‘ns. Ik dacht dat er heel wat aan de hand was. Ik dus helemaal terug, zegt Frenkie grijnzend: ben je niks vergeten, Jan? Hier, je pakkie brood. Dag, ik ga weer lekker slapen. En dicht ging ‘t raam. Happy was ik niet meer bij Telstar. Mario trainde elke dag twee keer, net als Frenk. Ik dacht: waarom is dat nou niet aan mij besteed? Ik wilde zo graag. Maar ik legde me erbij neer dat ik gewoon tekort kwam. Dat tweede jaar Telstar ging heel slecht. Ik trok op met vrienden die aan krachttraining deden en dat vond ik op een gegeven moment veel belangrijker dan voetbal. Ik leefde er niet voor en presteerde beneden m’n kunnen. Ik heb zelf Dick Buitelaar opgebeld, die trainer zou worden van SVV.”

“Bij SVV heb ik drie fijne jaren meegemaakt. Sportief was ‘t niet altijd even bevredigend, maar natrappen zal ik nooit doen. Ik heb veel bewondering gekregen voor Dick Buitelaar. Hij zei: ik laat deze groep nooit in de steek. En inderdaad, hij heeft geen training overgeslagen. Terwijl hij soms over de grond kroop van de pijn in z’n rug. Een vreselijk eerlijke man, iemand met persoonlijkheid, alleen al vanwege die eerlijkheid. Dat vind ik heel belangrijk. Buitelaar was te aardig voor SVV. D’r liep wat tuig rond. We hebben veel gelachen, maar ‘t ging wel ten koste van de prestaties. Als Buitelaar er even niet was, zaten ze voor de wedstrijd wijdbeens te poepen, met de wc-deur open. De ander at een tros bananen en vond gek dat-ie buikpijn kreeg onder de wedstrijd en gewisseld moest worden.”

“Tja, zo’n Treling nam ‘t niet zo nauw, sloeg gerust twee trainingen over en deed ‘t altijd rustig aan. Was te zwaar natuurlijk, kon veel beter, maar geloofde ‘t wel. Hij speelt nu bij Wippolder, een vierdeklasser en heeft ‘t daar prima naar z’n zin. Hij belde laatst nog. Deed alsof-ie een Volendam-supporter was en vroeg of ik ‘n foto kon langs brengen. Ik trapte er mooi in. Met hem en Marcel van Buuren heb ik nog steeds contact. Toen Van Buuren halverwege vorig seizoen wegging, zakte de ploeg helemaal in elkaar. Hij belde me op toen-ie pas bij Veendam zat. Wat ik nou meemaak, zei-ie, ongelofelijk. ‘n Leuk wijffie heeft die Nienhuis en kijken dat ze naar me doet. Die heeft-ie nu nog steeds. Hij is veel wijzer geworden van Veendam. Ik werd ‘r moe van. Eerst zeiden ze: goh, die Van Velzen en Mulder doen ‘t zo leuk bij SVV. Ik bereidde er wel dertien voor voor Peter. Van Velzen vertrok, maar ik kwam niet weg. Ook Van Buuren had niet te klagen wat m’n voorzetten betreft. Hij vertrok, ik niet. Ik vreesde ‘t ergste. Gelukkig ben ik toch in de eredivisie terecht gekomen.”

“Ik heb veel, zo niet alles, te danken aan Hans van Heelsbergen. Hij is shirtsponsor bij SVV geweest, in zijn bedrijf heb ik ook gewerkt, eerst in het magazijn, later als vrachtwagenchauffeur. Hij heeft me indertijd van Telstar gekocht en er voor gezorgd dat ik transfervrij ben. Overigens was ‘t wel zwaar, die combinatie werk-voetballen. Om tien voor zes stond ik op, om half zeven reed ik over de Brienenoordbrug en om negen uur ‘s avonds stapte ik met m’n voetbaltas pas weer binnen. Er zijn momenten geweest dat ik op instorten stond, zo moe was ik. Daarom ben ik zo blij dat ik nu fullprof ben. Er zijn momenten dat ik er niet meer in geloofde ooit hogerop te komen. M’n brandstof was op. Van Heelsbergen zei dan: Jan, jouw tijd komt heus. Hij heeft gelijk gehad. Nu hoef ik maar met één ding bezig te zijn, dat is voetballen. Dinsdags en donderdags ga ik meestal bij de ochtendtraining van Feyenoord kijken. Om een uur of elf rijd ik dan door naar Volendam. Lekker met die oude mannetjes kletsen, of een balletje tegen de muur schieten. Ik ben nog net ‘n kind, wat dat betreft. Om drie uur staan we op het trainingsveld. Lekker vrije trappen nemen. Om vijf uur begint de groepstraining.”

“Jan Brouwer belde me op en vroeg of ik interesse had. We maakten een afspraak in een motel in Gonnchem, waar ik Van Heelsbergen mee naar toe nam. Na de promotie van Volendam zou alles definitief worden rond gemaakt. Van Heelsbergen belde me op: Jan, we hebben ‘n afspraak in Hilton Amsterdam. Wát, zei ik, kan dat niet ergens anders, daar ben ik nog nooit geweest. Ik m’n pak aan, stropdas. Ik had ‘t niet meer. Verder dan Wimpy en McDonald was ik nooit geweest. Daar stond Van Heelsbergen met z’n grote wagen. In de wagen keken we elkaar aan en barstten allebei in lachen uit. Daar zat ik dan: spelertje van SVV, Van Heelsbergen wist precies wat ik dacht. Doe maar rustig aan Jan, alles komt in orde. Jan Brouwer was er met z’n vrouw, de voorzitter. ‘n Sjieke bedoening, zeg. Ik wist me echt geen houding te geven.”


© Focko van Dantzig

"We scoren niet, 't is om gek van te worden"

“Ik ga er vanuit dat we rondkomen, zei Van Heelsbergen gelijk. Laten we daarom maar beginnen met champagne. Ik lust die troep helemaal niet, maar dat wilde ik nou niet hardop zeggen. Dus ik drink dat glas in één teug leeg. Maar voor ik ‘t wist was m’n glas voor de tweede keer vol. Die dronk ik ook maar leeg. Ik kreeg ‘t steeds heter. Die stropdas knelde en de vrouw van Jan Brouwer naast wie ik zat werd steeds knapper. Ik begreep nu pas dat ‘t die champagne was waar ik helemaal niet tegen kon. Ik vond dat ik me niet nog ‘ns moest aanpassen. Zij bestelden vis, maar dat lust ik helemaal niet, dus ik zeg: geeft u mij maar een biefstuk met gebakken aardappels. Iedereen lachen natuurlijk. Op eens stond alleen voor mijn neus nog maar een servet. Ik dacht: hoe kan dat nou? Zonet had iedereen er nog één. Komt natuurlijk omdat ik alleen biefstuk neem, had ik als verklaring. Tot ik dat servet uitgerold op de schoot bij mevrouw Brouwer zie liggen, Dat heb ik toen ook maar gauw gedaan. Ik maakte ‘n hele stuntelige indruk. Toen ik m’n avonturen later thuis vertelde, zei iedereen: Jan, Jan, wat ben je toch ‘n klootzak. Tja, ik ben dat niet gewend. Die Van Heelsbergen is echt ‘n fantastische vent. Die man is ondanks al z’n geld gewoon gebleven. Klasse. Dat gebeurt niet vaak.”

“Bij Volendam zijn ze blij met me. Ik ben transfervrij en ik heb nog een sponsor meegenomen ook. Voordat ik hier speelde, hoorde ik verhalen dat je hier moeilijk geaccepteerd wordt. Nou, ik heb er niks van gemerkt. Ik ben goed opgevangen en ik ontmoet alleen maar fijne mensen. Natuurlijk speelt mee dat ik niet slecht speel. Ongelofelijk jongen, wat ‘n voetbal er in deze ploeg zit. ‘t Verhaal is wel bekend, hè? Alles wordt hier voetballend opgelost. Via combinaties, op techniek, maar er wordt weleens vergeten dat de mouwen opgestroopt moeten worden. Maar we hebben ook zoveel pech gehad. De eerste wedstrijd spelen we Haarlem van de mat. Sparta-uit ook. Paal, lat, paal, maar winnen ho maar. We scoren niet, ‘t is om gek van te worden. Dan vraag je om tegengoals. Maar dat kan niet blijven duren. Eens dwingen ook wij het geluk af. We moeten d’r in blijven. Wat zeg ik: ik weet ‘t zeker. Zo’n ploeg mag er toch niet uit?”

“Zo’n Wimpie Jonk moet je krediet geven; ‘t is pas z’n eerste jaar in de eredivisie. Ik zeg je: die doet dingen die ik Van Basten alleen nog heb zien doen. En weet je wat ‘n prof is: Nico Zwarthoed. Tjonge, wat leeft die ervoor, Type Eric Gerets, alleen Gerets loopt met z’n borst vooruit, Nico is te bescheiden. Ik trek ‘t meest op met Randy Samuel en Ed Vijent. Meestal is Jan Klouwer er ook bij. Na de wedstrijd moeten we er effe uit. De Dijk op. Je moet je toch laten zien. Ook na een verloren partij. Je moet ook weer uitkijken dat je je er niet te vaak laat zien, want dan gaat ’t ook niet goed met je. Ik moet nu alleen zorgen dat ik constant blijf presteren. Ik ken de mensen nog precies die achter m’n rug om zeiden: die Jantje Mulder redt ‘t nooit. Bij Volendam ook niet. Nu zeggen ze: ‘t gaat lekker hè, Jan. Dan ben ik dus het type dat ogenblikkelijk z’n klauw terugtrekt.”

“Ik geniet met volle teugen. Het tempo van het voetbal in de eredivisie staat me ook veel meer aan. Schitterend man, om thuis voor 4000, 5000 mensen te spelen. En bij PSV voor 20.000 man. Schitterend om tegen Lerby te spelen. Ik wilde ‘m een hand geven en holde na afloop die gang in. Náást de rode loper, maar toen ik vlak bij ‘m was gleed ik onderuit. Wat doe je nou, joh, riep Lerby, en hielp me overeind. Weet ik veel dat je op die loper moet lopen, zei ik. Ik speel hier pas voor de eerste keer. Wat heeft die Vanenburg ‘n techniek zeg. Eén keer moest ik ‘m laten gaan, ik heb ‘m toen vastgehouden. Vanenburg is ‘n te mooie voetballer om te schoppen, die trek je aan z’n shirt. Ik schop trouwens niemand. Bij Marco Bogers ging ik er flink in, die kon er gelijk uit. Eerst liep-ie op links irritant te doen. Hij verhuisde naar rechts - en begon opnieuw te zuigen. Die krijgt dan wel een joekel, maar wel in het duel en met de bal erbij. Heel negatief wat-ie laatst over Ruud Heus in VI zei. Waarom maken collega’s elkaar in interviews af, waarom niet wat meer respect voor elkaar? Bogers kan goed voetballen, laat-ie z’n kwaliteiten dan ook uitbuiten en verder normaal doen.”

“Met Schinkels heb ik om de twee weken contact. Laatst belde Frenkie op. Met de kerst moeten we weer ‘n beetje gek gaan doen, zei-ie, net als vroeger. Hij had al een plan gemaakt. Hij zegt: jij, Mario en ik verkleden ons als Kerstman en we worden in Le Bateau lekker lazerus. Effe lekker doorzakken aan de bar, niemand kent ons. Weet je wat-ie verder zei? Jan, ik mis je. Ik zeg: dan gaat ‘t niet goed met je, Frenk. Als we goed willen presteren dan is ‘t het beste als we elkaar niet zien. Mario in Barendrecht, jij in Oostenrijk en ik in Spijkenisse. Ik doe geen domme dingen meer. Als er wat te lachen valt, sta ik vooraan. Maar ‘t gaat niet meer ten koste van m’n prestaties. Voor je ‘t weet ben ik semiprof en zit ik weer op de vrachtwagen. Ik was laatst sinds lange tijd in Rotterdam uit. Weet je wat ze zeiden? Ben je ziek geweest, Jan. We hebben je al zo lang niet gezien. Da’s voor mij een teken dat ‘t goed met me gaat. Ik geniet van m’n fullprof bestaan. Daarom word ik ziek van die zeikverhalen in de trant van: die trainer kan me goed motiveren. Dan ben je geen prof. Je traint en voetbalt voor je zelf en voor je team. En dan die opmerkingen: ik moet in ‘t Olympisch elftal en in ‘t Nederlands elftal. Als je er niet in staat zal er wel wat aan je mankeren. Zorg maar dat je eerst presteert.

Terug